
De school gaat uit van een bijbels gefundeerde mensbeschouwing. Hieronder verstaan we:
2.1. Dat de mens gekenmerkt wordt door vier relaties:
- de relatie tot God
- de relatie tot zichzelf
- de relatie tot de medemens
- de relatie tot de natuur (de schepping)
Ons opvoedingsdoel is, dat ieder kind een zeker evenwicht vindt in de beleving van deze vier relaties.
Deze relaties dienen gekenmerkt te worden door liefde voor en gehoorzaamheid aan God. Bijbeltekst uit Mattheüs 22:37-40 "Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten."
2.2. Dat ieder kind uniek is en voor God een onvervangbare menselijke waarde heeft.
2.3. Dat ieder mens (kind) in vrijheid moet leren en kunnen kiezen, steeds aangepast aan zijn ontwikkelingsniveau, zodat alle, door God gegeven talenten, zich kunnen ontplooien.
2.4. Dat in de opvoeding moet tegemoet gekomen worden aan de volgende behoeften die elk kind heeft:
2.4.1. Lichamelijke behoeften
Lichamelijke behoeften zetten de mens aan om dingen te doen, die tot een fysisch evenwicht bijdragen. Honger en dorst zijn voorbeelden. Het evenwicht heeft betrekking op bijvoorbeeld de lichaamstemperatuur, slaap, rust, beweging...
2.4.2. Behoefte aan affectie, warmte, tederheid
De bijna fysische nood aan menselijke warmte, koestering, geknuffeld worden, lichamelijk contact en nabijheid, tederheid, nood aan genegenheid, zorg, liefhebben en geliefd worden.
2.4.3. Behoefte aan veiligheid, duidelijkheid, continuïteit
Ieder mens verlangt naar een min of meer voorspelbare, ordelijke omgeving. Een veilige wereld betekent: kunnen rekenen op herkenbare en duidelijke structuren, op een omgeving waarin consistentie (van warmte, plaats in de klas, personen) en voorspelbaarheid (een duidelijk zicht op de opeenvolging van gebeurtenissen) te vinden zijn.
2.4.4. Behoefte aan erkenning
Kinderen hebben nood aan bevestiging en aanvaarding door anderen. Ze verlangen ernaar erkend en gewaardeerd te worden, ondanks eigen (beperkte) kwaliteiten en tekortkomingen. Deze behoefte wordt bevredigd doorheen de relaties met anderen. Genieten van samenzijn kan pas als men het gevoel heeft dat de anderen het fijn vinden dat men erbij is en als er naar je geluisterd wordt.
2.4.5. Behoefte zichzelf als kundig te ervaren
De nood om steeds nieuwe inzichten en vaardigheden te verwerven en uit te bouwen.
Exploratiedrang: steeds nieuwe dingen willen ontdekken, onderzoeken, je grenzen willen verleggen.
Nood aan productieve activiteit: iets maken, iets presteren.
Zoeken naar uitdagingen, het onbekende, het nog niet bereikte.
2.4.6. Behoefte om moreel in orde te zijn
De nood het leven als zinvol te ervaren. Zoeken naar perspectief, waarden en een doel waar men naartoe wil: zichzelf als 'goed' willen beleven.
Leidraad zijn morele codes, afspraken, regels, verwachtingen van de omgeving.